Fellows

Fellows 2017

Hanneke Wigman

Hanneke Wigman (1983) is onderzoeker bij het UMC Groningen en GGZ Friesland. Zij richt zich in haar onderzoek op psychische klachten bij jonge mensen, met name op het gebied van psychose. Waarom gaan psychische klachten bij de één vanzelf weer over en bij de ander niet? Welke factoren spelen een rol bij het verergeren of verdwijnen van psychische klachten? Op dit soort vragen probeert Hanneke antwoord te vinden. Hierdoor hoopt zij ervoor te kunnen zorgen dat mensen bij psychische problemen tijdig de juiste hulp aangeboden krijgen.

Iedereen heeft wel eens in meer of mindere mate last van psychische klachten. Zo is de één wel eens somber en de ander wel eens nerveus. Bij veel mensen nemen de klachten na verloop van tijd vanzelf weer af. Maar bij sommige mensen gaan ze niet weg of worden ze juist erger. Met het onderzoek dat Hanneke Wigman doet, wil zij beter begrijpen hoe en waarom psychische klachten bij de één vanzelf weer over gaan en bij de ander niet. Dit doet zij door in kaart te brengen hoe de ene klacht tot de andere leidt, welke factoren een rol spelen bij het in stand houden of verdwijnen van de klachten, en hoe mensen verschillen in dit soort patronen. Met deze kennis hoopt Hanneke beter te kunnen voorspellen wie ernstige klachten gaat ontwikkelen, zodat er in een vroeg stadium de juiste hulp geboden kan worden aan de juiste personen.

Na haar studie neuro- en revalidatiepsychologie studeerde Hanneke in 2006 cum laude af aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2011 behaalde zij cum laude haar proefschrift aan de Universiteit Utrecht, waarin ze milde psychotische ervaringen bij jongeren onderzocht. Tijdens en na haar promotie werkte ze samen met experts op het gebied in (vroege) psychose in Nederland, Australië en Ierland. Eerder ontving Hanneke voor haar onderzoek een Kootstra Talent Fellowship en een Veni beurs.

Haar interesse in de menselijke geest was de aanleiding om psychologie te gaan studeren. Tijdens haar studie leerde Hanneke veel over psychopathologie en vooral het fenomeen ‘psychose’ intrigeerde haar direct. Tijdens haar promotieonderzoek heeft zij veel onderzoek gedaan naar milde psychotische ervaringen bij jonge mensen. Sindsdien is ze zich steeds meer gaan verdiepen in de vraag hoe psychose zich ontwikkelt, hoe vroege symptomen van psychose samenhangen met andere symptomen, zoals bijvoorbeeld depressie, en met beschermende factoren of risicofactoren, en individuele verschillen in dit soort patronen. Met de antwoorden op dit soort vragen hoopt Hanneke bij te kunnen dragen aan onze kennis van psychische klachten en hoe ze ontstaan. Ook hoopt zij het begrip voor psychische problemen te vergroten in de maatschappij. Uiteindelijk wil Hanneke vooral ook deze kennis vertalen naar de zorg: als we beter weten wie meer risico heeft op welke klachten, kunnen we hopelijk eerder zorg bieden die is toegespitst op wat iemand nodig heeft.

De maanden bij het NIAS wil Hanneke graag gebruiken om zich verder te verdiepen in methodes om te onderzoeken hoe psychische klachten zich op individueel niveau ontwikkelen en hoe we deze informatie het beste kunnen gebruiken om verder beloop te voorspellen. Ook wil zij graag een voorstel schrijven voor een grote subsidieaanvraag waarmee ze haar onderzoekslijn verder kan uitwerken en een internationale workshop kan organiseren.

Sonja Swanson

Sonja Swanson (1984) is assistant professor op de afdeling Epidemiologie aan het Erasmus MC. Ze is daarnaast verbonden aan de afdeling Epidemiologie aan de Harvard T.H. Chan School of Public Health. Zij doet op dit moment onderzoek naar epidemiologische en statistische methoden om causale effecten te kunnen beoordelen. Sonja’s doel is om het transparante gebruik en de rapportage te verbeteren en daarnaast de methoden zelf te verbeteren.

Op dit moment is er met name veel onderzoek dat onze genen gebruikt als een vorm van natuurlijk experiment om de effecten van mogelijke gezondheidsinterventies te bestuderen. Deze Mendeliaanse randomisatiemethode is toegepast op verschillende interessante en belangrijke volksgezondheidskwesties, waaronder de vraag of gematigde alcoholconsumptie de cardiovasculaire gezondheid beïnvloedt, of obesitas het risico op depressie beïnvloedt en of bepaalde vitaminetekorten tijdens de zwangerschap het welzijn van het kind op lange termijn kunnen beïnvloeden.

Idealiter zouden onze medische beslissingen gebaseerd zijn op goed uitgevoerde gerandomiseerde onderzoeken, maar helaas zijn dit soort onderzoeken niet altijd haalbaar, ethisch of tijdig. Wanneer gerandomiseerde onderzoeken geen optie zijn, zijn observationele onderzoeken die zorgvuldig worden geanalyseerd met geschikte causale gevolgtrekkingsmethoden een alternatief voor het onderbouwen van persoonlijke, klinische en maatschappelijke beslissingen. Uiteindelijk gaat het methodologisch onderzoek van Sonja Swanson over hoe dit zo verstandig mogelijk kan worden gedaan met de beschikbare gegevens en statistische hulpmiddelen, zodat die beslissingen het beste onderbouwd kunnen worden.

Sonja haalde haar PhD in Epidemiologie aan de Harvard T. H. Chan School of Public Health. Daarvoor studeerde ze wiskunde en psychologie aan de University of Chicago en biostatistiek aan de Johns Hopkins Bloomberg School of Public Health. In 2015 verhuisde Sonja naar Rotterdam om als universitair docent bij de afdeling Epidemiologie van het Erasmus MC te gaan werken.

Al op jonge leeftijd genoot Sonja van de lessen wiskunde en natuurkunde. Ze zag zichzelf echter niet als een wetenschapper, maar wilde liever een carrière waarmee ze mensen kon helpen. Het was pas na de universiteit dat ze zich realiseerde dat het een de ander natuurlijk niet hoeft uit te sluiten: door een carrière in volksgezondsheidsonderzoek heeft Sonja haar interesse en vaardigheden in wiskunde samen kunnen voegen met het verlangen om een verschil te maken in de wereld.

Sonja zal de tijd aan het NIAS gebruiken om te werken aan het schrijven van een tekstboek en het ontwikkelen van een curriculum rondom Mendeliaanse randomisatiemethoden. Ook wil zij graag de tijd gebruiken om een workshop over causale gevolgtrekkingen te organiseren met deskundigen die afkomstig zijn uit de epidemiologie, informatica, statistiek en economie. Tenslotte is het voor Sonja een mooie kans om betrokken te zijn bij NIAS, omringd door wetenschappers uit andere disciplines, en kijkt zij ernaar uit geïnspireerd en gestimuleerd te worden door de samenwerking met een diverse groep intellectuelen.

Fellows 2016

Carlijn Kamphuis

Carlijn Kamphuis (1979) is universitair docent bij de onderzoeksgroep Healthy Urban Living aan de afdeling Sociale Geografie en Planologie van de Universiteit Utrecht. Met haar onderzoek naar de leefomgeving, gezond gedrag en gezondheid wil ze inzicht krijgen in hoe de inrichting van steden kan bijdragen aan een betere volksgezondheid en kleinere sociaaleconomische gezondheidsverschillen.

 Bijna tweederde van de wereldbevolking woont in steden. Dat brengt grote uitdagingen met zich mee; zoveel mensen die samen op een klein oppervlakte leven. Maar het biedt ook kansen. Als deze steden goed worden ingericht, kan de gezondheid van grote groepen mensen op een positieve manier worden beïnvloed. Onze leefomgeving heeft namelijk grote invloed op onze gezondheid en ons gezondheidsgerelateerd gedrag, zoals lichaamsbeweging en voedingskeuzes. Welke mogelijkheden in onze directe omgeving beschikbaar zijn, welke middelen we hebben, wat anderen om ons heen doen, wat de heersende norm is; dat alles bepaalt voor een groot deel ons gedrag en onze gezondheid. De onderzoeksgroep Healthy Urban Living waar Carlijn Kamphuis onderdeel van uitmaakt, onderzoekt in hoeverre de stedelijke leefomgeving invloed heeft op het welzijn en gezondheid van mensen, maar ook op het gedrag van mensen. Welk effect heeft bijvoorbeeld een goede infrastructuur op hoeveel we fietsen? En maakt het voor je eetpatroon uit hoeveel snackbars je passeert op je dagelijkse route door de stad? Carlijn verdiept zich in dergelijke vraagstukken om beter te begrijpen hoe gezond gedrag zo makkelijk mogelijk kan worden gemaakt.

Een ander belangrijk deel van haar onderzoek richt zich op sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Hoe komt het dat in een stad als Utrecht grote verschillen zijn in de gezonde levensverwachting? In de ene buurt leven mensen 72 jaar in goede gezondheid, terwijl dit in de buurt ernaast maar 60 jaar is. Dit soort gezondheidsverschillen zijn onacceptabel omdat ze voor een groot deel voortkomen uit de omstandigheden waaronder mensen opgroeien, wonen en werken – en waar ze dus zelf grotendeels geen controle over hebben. Daarom is het belangrijk om beter te begrijpen hoe dergelijke grote verschillen ontstaan om gericht beleid en interventies te kunnen ontwikkelen.

Carlijn studeerde in 2003 af in de Gezondheidswetenschappen aan Maastricht University. Tijdens haar afstuderen kwam ze voor het eerst in aanraking met het zelf uitvoeren van onderzoek. Ze ontdekte toen hoe boeiend ze het vond om zelf onderzoeksvragen te formuleren op basis van wetenschappelijke literatuur en deze in haar eigen onderzoek te kunnen testen. Ze behaalde in 2008 haar PhD in Public Health. Ze heeft al verschillende bekroningen op haar werk mogen ontvangen zoals de Volksgezondheidsprijs, een fellowship van het Erasmus MC in Rotterdam en grote onderzoeksbeurzen van ZonMw.

Carlijn wil haar maanden bij het NIAS besteden aan het schrijven van nieuwe artikelen en het lezen van nieuwe wetenschappelijke publicaties. Ook zal ze deze tijd gebruiken om subsidieaanvragen te schrijven om haar onderzoekslijn in Utrecht verder uit te bouwen. Ze beschouwt het als een voorrecht en luxe dat ze deze mogelijkheid krijgt.

Maeike Zijlmans

Maeike Zijlmans (1978) is onderzoeker en neuroloog bij het UMC Utrecht en Stichting Epilepsie Instellingen Nederland (SEIN). Met haar onderzoek naar het achterhalen van het ontstaan van epilepsie en het signaal wat daaraan ten grondslag ligt, heeft ze als doel dat meer mensen genezen kunnen worden met epilepsiechirurgie.

 

Er zijn verschillende kenmerken van epileptische aanvallen; ze ontstaan meestal plotseling, zorgen voor spieren die zich tegelijkertijd aanspannen en de aanvallen zijn gevoelig voor triggers. Maar waar precies ontstaat epilepsie in de hersenen? Maeike Zijlmans verricht onderzoek naar de focus van epilepsie door middel van het kijken naar hoogfrequente trillingen. Door haar onderzoek heeft ze een methode ontwikkeld om te bepalen welk gebied in de hersenen chirurgisch verwijderd moet worden om epilepsie te behandelen en dus zelfs te kunnen genezen. Ze kijkt hiervoor specifiek naar hoogfrequente trillinkjes in het hersenfilmpje dat direct vanaf de hersenen gemeten wordt.

Maeike studeerde aan de Universiteit Utrecht waar ze in 2013 haar opleiding tot neuroloog afrondde. In 2011 promoveerde ze Cum Laude op een onderzoek naar technieken om de focus van epilepsie te karakteriseren. Ze besteedde een jaar van haar onderzoekstijd aan een gerenommeerd neurologisch instituut in Montreal waar ze kennismaakte met de hoogfrequente trillinkjes die nu in Nederland worden toegepast.

 

De hoeveelheid aan prijzen die Maeike heeft mogen ontvangen voor haar werk is indrukwekkend. Zo ontving ze bijvoorbeeld de Girard de Mielet van Coehoorn Stichting-prijs, de Hersenstichting trofee voor de Wetenschap, de American Epilepsy Society Young Investigators Award, en nog vele andere erkenningen.

Maeike wist al snel dat ze neuroloog wilde worden omdat de werking van de hersenen haar enorm fascineerde. Epilepsie in het bijzonder, dit leert je namelijk nog beter hoe de hersenen werken. Het doel van het onderzoek dat Maeike verricht, is om tot de beste verwerkingsmethoden van het hoogfrequente signaal te komen en zo de epilepsiechirurgie, maar ook diagnostiek en behandeling van epilepsie te kunnen verbeteren. Haar ambitie is dat we over dertig jaar daadwerkelijk anders tegen epilepsie aankijken. Namelijk, als een geneesbare aandoening in plaats van een levenslange ziekte.

De maanden bij het NIAS gebruikt Maeike graag om te schrijven aan een voorstel voor een grote onderzoeksubsidie. Tevens zal ze deze tijd inzetten om een internationale workshop te organiseren en het ontwikkelen van haar persoonlijke website.

 

Fellows 2015

 

Femke Nijboer 

23-_new_JPEG_low_res[1]Femke Nijboer (Hellendoorn, 1979) is universitair docent bij de afdeling Gezondheids- Medische en Neuropsychologie van de Universiteit Leiden. Femke richt zich met haar onderzoek op mensen die door hersenletsel en of spierziekten ernstige lichamelijke beperkingen hebben en niet meer (goed) kunnen communiceren.

Het wordt wel eens voorspeld dat de 21ste eeuw de eeuw wordt van de neurotechnologie. Neurotechnologie kan worden omschreven als “het aanbrengen van elektronica en techniek in het menselijk zenuwstelsel”. Een voorbeeld hiervan zijn zogeheten Brain-Computer Interfaces (BCI’s). BCI’s zijn systemen die mensen met fysieke beperkingen zoals het Locked-In syndroom (compleet verlamd maar geestelijk in orde) of ALS kunnen helpen om te communiceren middels hersenactiviteit. Het gebruik van BCI’s en onderzoek naar (toekomstige) toepassingen haalt belangrijke ethische, juridische en maatschappelijke kwesties aan die bekeken moeten worden om voor sociale acceptatie en adequaat beleid te zorgen.  Vandaag de dag ontbreekt er vaak een slimme methode om alle stakeholders stem te geven in het debat en het design van neurotechnologie.

Het onderzoek van Femke Nijboer richt zich op mensen met het Locked-In syndroom, ALS en andere aandoening die leiden tot lichamelijke beperkingen en communicatieproblemen. Ze onderzoekt deze mensen vanuit verschillende perspectieven: hoe is de levenskwaliteit? Hoe nemen deze mensen een beslissing omtrent levensverlengende maatregelen? Kan je aan de hersenen zien of iemand in coma is of in het locked-in syndroom? En .. hoe kunnen we nieuwe hulpmiddelen voor deze mensen ontwikkelen zodat ze beter kunnen leven en meer mee kunnen doen in de maatschappij? Haar werk is naar eigen zeggen een innovatieve en heerlijke mix van neuropsychologie, medische psychologie, ethiek en engineering.

In mei 2008 behaalde ze haar PhD (magna cum laude) aan de Graduate School for Neural and Behavioral Sciences in Tübingen, Duitsland. Ze heeft verschillende prijzen in ontvangst mogen nemen zoals de Tursky Award (twee keer) en de NWO-Veni beurs. Die beurs heeft ze gebruikt om een nieuwe en interdisciplinaire benadering te ontwikkelen om verantwoordelijke innovatie van BCIs te bespoedigen en de eind-gebruiker de regie te geven in het design (www.regieindesign.nl). In de toekomst wil ze de relatie tussen waardigheid, beperkingen, technologieën en de maatschappij verder onderzoeken. Haar voornaamste reden om een carrière in de wetenschap te zoeken ging niet zo weloverwogen als je zou denken. Femke wilde graag een baan waarbij ze kon reizen, leren en spelen. De wetenschap is dan al gauw de ideale uitkomst. Ze overwoog om actrice te worden, maar dat durfde ze toch niet. In feite zou ze dan hetzelfde hebben gestudeerd: mensen begrijpen.

De maanden bij het NIAS wil Nijboer gebruiken om te investeren in haar onderzoek naar de eerder genoemde Brain-Computer Interfaces. Ze gaat een ‘grande finale’ schrijven voor haar onderzoek naar de verantwoordelijke innovatie van BCI’s.  Ook wil ze een ERC Starting Grant proposal schrijven om  de benadering op andere neurotechnologieën toe te passen en verder te onderzoeken hoe de waardes van de uiteindelijke gebruikers kunnen worden geïntegreerd in het ontwerp van  neurotechnologieën. Ze hoopt dat de maatschappij mensen met een beperking minder gaat zien als mensen met beperkingen maar meer als mensen met andere mogelijkheden dan onszelf. Ze hoopt op meer inzicht in de diversiteit van mensen. Volgens Femke zouden we deze diversiteit moeten omarmen, omdat het ons sterk maakt.

 

Doris van Halem

09_JPEG[1]Dr. Doris van Halem (Eindhoven, 1981) is universitair docent bij de afdeling Water Management – Sanitary Engineering van de TU in Delft. Doris is gek op puzzelen, de onderzoeker in haar wil graag weten hoe iets in elkaar zit. De wereldverbeteraar in haar wil graag dat iedereen op aarde toegang heeft tot veilig drinkwater. Een academische carrière bij de TU Delft brengt deze drijfveren mooi samen, met als bonus dat ze studenten mag enthousiasmeren voor dit vakgebied.

Veilig drinkwater is één van de voornaamste uitdagingen van de Millennium Development Goals van de Verenigde Naties, omdat ziektes die van water afkomstig zijn de gezondheid van miljoenen mensen wereldwijd bedreigt. Deze ziektes worden bijvoorbeeld veroorzaakt door virussen, bacteriën of chemische verontreinigingen zoals arsenicum, fluoride of zware metalen. Op dit moment zijn er 748 miljoen mensen die geen toegang hebben tot verbeterde drinkwater bronnen.

Doris van Halem is tien jaar geleden afgestudeerd op de keramische potfilter. Het werd één van de grootste hygiëne-interventies, met een systeem dat schittert in eenvoud. Een aardewerken pot waar je vervuild water in stopt, het water stroomt door de pot heen en je vangt in een opvangbak eronder schoon water op. De pot is dus zelf het filter. Inmiddels worden deze potten in heel veel fabrieken ter wereld geproduceerd, telkens met  lokale klei en lokaal burnoutmateriaal, bijvoorbeeld fijn zaagsel. Hoe werkt het precies? Het zaagsel verbrandt als je de pot verhit, waardoor er kleine gaatjes ontstaan. Deze ‘poriën’ filteren grotere micro-organismen uit het water, zoals bacteriën en protozoa, die tot allerlei ziektes kunnen leiden. Maar hier ligt tegelijk ook de volgende grote uitdaging voor Doris van Halem. Want de potfilters kunnen geen virussen en geen arsenicum uit het water filteren.

Met behulp van de L’Oréal-UNESCO For Women in Science beurs wil Doris van Halem gedurende een verblijf van enkele maanden aan het NIAS onderzoeken hoe we metalen nanodeeltjes kunnen inzetten in goedkope membranen om virussen en arsenicum te verwijderen. Ze zal hiervoor enkele maanden op het NIAS werken aan het opzetten van een workshop om Nederlandse academici, NGO’s, het bedrijfsleven en de overheid samen te brengen om een wereldwijde impact te vergroten.

Doris studeerde Civiele Techniek aan de TU Delft en rondde haar Master studie cum laude af. Tijdens haar studies groeide haar interesse in uitdagingen rondom het ontwikkelen van veilig drinkwater. Als onderdeel van haar studie was ze betrokken bij waterprojecten in Sri Lanka en Benin.

In 2011 ronde ze haar promotie onderzoek cum laude af. Haar onderzoek ging over de het verwijderen van ijzer en arseen dat in het grondwater in Bangladesh aanwezig was om het water drinkbaar te maken.  Momenteel is Doris van Halem werkzaam als universitair docent en werkt ze met haar promovendi aan de onderzoeksthema’s voor verbeterde watervoorziening in binnen- en buitenland (Nicaragua, Bangladesh). Op de vraag “hoe hoop je dat jouw werk kan bijdragen aan onze maatschappij?”, is haar antwoord duidelijk: veilig drinkwater voor iedereen door de ontwikkeling van slimme, toepasbare technologieën. Ook door het opleiden van studenten en promovendi uit ontwikkelingslanden denkt ze een directe bijdrage te kunnen leveren aan het kennisniveau in het land op het gebied van water. Onderwijs zal volgens Doris op de lange termijn een groter effect hebben dan welke technologie dan ook.

Fellows 2014

Simone van der Burg

GezondNU_De Ontmoeting_Z7A8926Dr. Simone van der Burg (43 jaar) is universitair docent en projectleider bij de afdeling IQ Healthcare van het Radboud Univerisity Medical Center in Nijmegen.   Het bloed van pasgeborenen in Nederland wordt onderzocht met de hielprik en getest op mogelijke afwijkingen. Het voornaamste doel is om in een vroeg stadium een ziekte te ontdekken zodat er tijdig met een behandeling kan worden gestart die de prognose van het kind kan verbeteren. In Nederland wordt er naar 18 ernstige ziekten gekeken waar behandeling voor mogelijk is. Op dit moment worden deze onderzoeken gedaan met biochemische technologieën maar binnen 5 of 10 jaar wordt er verwacht dat het goedkoper zal zijn om op deze ziekten te screenen door middel van nieuwe technologieën die het hele genenpakket doornemen. Die technologieën heten Next Generation Sequencing technologieën, ofwel NGS. Dit zal ethische vragen oproepen. Het onderzoek van Simone van der Burg beoogt een ethisch raamwerk op te zetten dat gebaseerd zal zijn op een relationele benadering van de ethiek. Dit raamwerk geeft aan welke informatie over de genen moet worden gecommuniceerd, en beoordeelt dat door te bekijken of en hoe deze onderzoeken de verbintenis tussen ouders en kinderen kan bedreigen maar ook kan bestendigen. Het is belangrijk om al van te voren na te denken over deze vragen. Hoewel de hielprik vrijwillig is, werkt tegenwoordig bijna 100% van de ouders mee aan het onderzoek. Dit betekent dat ouders een groot vertrouwen hebben in onderzoek onder pasgeborenen, dat gericht is op een vroege detectie en behandeling van zieke kinderen. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat zowel ouders als medisch personeel verwachten dat dit hielprik onderzoek de gezondheid van het kind zal beschermen en bevorderen. Maar het is de vraag of ouders willen blijven deelnemen als de genen van baby’s met NGS worden onderzocht, die naast behandelbare ook ziekten kunnen ontdekken die onbehandelbaar zijn, of die pas later in het leven (zouden kunnen) ontstaan. De huidige criteria van Wilson and Junger uit 1968 die het uitgangspunt vormen voor de huidige hielprik screening zijn niet toereikend om ethische vragen te beantwoorden die zullen ontstaan met de komst van NGS. Het is vooral moeilijk om ethische intuïties te begrijpen die naar voren komen juist omdat genetische informatie over het kind ook voor ouders relevant is met wie het kind genetisch is verwant. Met haar onderzoek zal Simone van der Burg bijdragen aan het verrijken van het ethische en politieke debat over de introductie van NGS door het opstellen van een raamwerk waarbij rekening wordt gehouden met de begrippen vertrouwen, verbintenis, relaties en verantwoordelijkheid.

Maryam Kavousi

Maryam Dr. Maryam Kavousi (39 jaar) is artsonderzoeker en werkzaam op de afdeling epidemiologie van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. Haar onderzoeksgebied betreft hart- en vaatziekten (HVZ). Hart- en vaatziekten blijven de grootste doodsoorzaak wereldwijd. HVZ bestaan uit verschillende aandoeningen onder andere hartziekten met betrekking tot de kransslagaders (CHZ), beroertes en hartfalen. Terwijl hartziekten en sterftecijfers voor vrouwen ongeveer vergelijkbaar zijn met die van 10 jaar jongere mannen hebben vrouwen juist een hoger risico op beroertes en hartfalen op middelbare en hoge leeftijd. De risicovoorspelling van hart-en vaatziekten (HVZ) bij vrouwen is nog steeds niet optimaal. In de statistieken wordt meestal gefocust op kransslagader hartziekten terwijl vrouwen juist een hoog risico hebben op beroertes en hartfalen met name op middelbare en hoge leeftijd. Bovendien hebben vrouwen door hun hogere levensverwachting en hun hogere levenslange risico meer kans op hartziekten gedurende hun hele leven, terwijl vrouwenjuist een hoog risico hebben op beroertes en hartfalen met name op middelbare en hoge leeftijd. Er zijn twee nieuwe concepten voor de risicovoorspelling van HVZ namelijk ‘risicoleeftijd’ en ‘levenslang cardiovasculaire risico’. Het onderzoek van Maryam Kavousi is is gericht op het begrijpen hoe deze twee risicoconcepten gerelateerd zijn bij het voorspellen van het HVZ risico bij vrouwen. Zinvolle interpretatie van deze twee concepten zal kunnen helpen bij risico-communicatie tussen artsen en vrouwen. Zij zal gedurende enkele maanden bij het NIAS werken aan het verder opzetten van een onderzoekslijn specifiek gericht op de vrouwelijke hart en vaat gezondheid.

Fellows 2013

Maria Barbosa

maria barbosa

Dr. Maria Barbosa (40 jaar) is onderzoeksmanager microalgen bij Wageningen Universiteit & Research Center (Wageningen UR) en directeur van AlgaePARC (Algae Production and Research Center) in Wageningen. Microalgen worden beschouwd als één van de meest veelbelovende grondstoffen voor het duurzaam leveren van ingrediënten voor voedsel of niet-voedsel producten. In Europa kunnen voedsel en brandstof geproduceerd worden door gebruik van microalgen zodat men niet afhankelijk is van fossiele brandstoffen of te importeren grondstoffen voor de landbouw. Maria Barbosa wil een soepele invoering van microalgen biotechnologie in onze maatschappij faciliteren. Haar doel is de ontwikkeling van op biotechnologie gebaseerde duurzame industriële procesketens en producten op microalgen basis, de meest duurzame grondstoffen voor levensmiddelen, veevoer, cosmetica, chemicaliën en brandstof. Biotechnologie met microalgen staat momenteel nog in de kinderschoenen, maar is een groeiend onderzoeksgebied met de potentie om te veranderen in commerciële en industriële activiteiten. Het biedt veel wetenschappelijke uitdagingen, zowel op fundamenteel als op technologisch gebied. Het onderzoek van Maria Barbosa richt zich op de vertaling van fundamenteel onderzoek naar toegepaste methoden voor een maximale productie van stofwisselingsprocessen door microalgen. Dit is een nieuw onderzoeksgebied, waarin cel- en stofwisselingsprocessen begrepen moeten worden en geïntegreerd in processen en technologie. Wageningen UR en AlgaePARC hebben door het werk van Maria Barbosa een internationaal leidende rol ontwikkeld op het gebied van microalg-productie grondstoffen. Met deze beurs zal Maria Barbosa bij het NIAS werken aan het identificeren van de vereiste synergie tussen fundamenteel en toegepast onderzoek op dit vakgebied. De uitkomsten van het onderzoek zullen beschreven worden in een wetenschappelijk artikel, er zullen definities opgezet worden voor onderzoekslijnen voor een nieuwe leerstoel en er komt een projectvoorstel over dit onderwerp. Hierdoor zal deze duurzame microalgen biotechnologie een extra impuls krijgen.

 

Frances de Man

Frances de man

Dr. Frances de Man (33 jaar) is universitair docent bij het VU Medisch Centrum en werkzaam op de afdeling longziekten. Haar huidige onderzoek over pulmonale hypertensie (PAH) valt onder het Instituut voor Cardiovasculair Onderzoek (ICAR-VU) op de afdeling longziekten van het VU Medisch Centrum. PAH is een ongeneeslijke longziekte die gekenmerkt wordt door een toenemende bloeddruk in de longenslagader. Patiënten komen uiteindelijk te overlijden aan de gevolgen van het falen van de rechterhartspier. De hoogte van de bloeddruk in de longslagader bij PAH patiënten kan echter het moment van hartfalen niet voorspellen. Dit suggereert dat andere factoren ook een rol spelen. De onderzoekshypothese van Frances de Man is dat een genetische variatie in het type 2 receptor van de bone morphogenetic proteins (BMPR2) het respons van de rechterventrikel verslechtert om zich aan te passen aan de toegenomen overbelaste bloeddruk bij PAH. Rechterhartspier falen is niet hetzelfde als linkerhartspier falen. Vaak wordt gedacht dat het onderliggende proces gelijk is. De rechter en linker hartspier verschillen echter significant op embryologisch, structureel en functioneel gebied. Hierdoor is een directe vertaling van kennis van de ene hartspier naar de andere niet mogelijk. Op het gebied van de rechterhartspier is nog veel onbekend. De Nederlandse beurs For Women in Science zal Frances de Man de kans geven om op het NIAS eerder verkregen gegevens te analyseren en te publiceren en om de resultaten te bespreken met andere experts op dit gebied. Met de resultaten uit haar onderzoek hoopt ze de uiteindelijk de behandeling en levensverwachting van PAH patiënten te kunnen verbeteren.

Fellow 2012

Judith Rietjens

Judith RietjensJudith Rietjens (36)  werkt als universitair docent bij de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus MC Rotterdam in Nederland, en bij de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde van de Universiteit van Gent & Vrije Universiteit Brussel in België. Haar onderzoeksproject gaat over het verlichten van het lijden aan het levenseinde: een verklaring voor verschillen in het gebruik van palliatieve sedatie tussen landen. Judith Rietjens heeft voor haar onderzoek al diverse prestigieuze beurzen gewonnen. Palliatieve sedatie is het opzettelijk verlagen van het bewustzijn door het toedienen van sederende medicatie. Het is bekend dat er verschillen zijn in de toepassing van palliatieve sedatie tussen landen. Tijdens haar NIAS-fellowship wil Judith Rietjens een raamwerk opzetten dat deze verschillen verklaart. Dat doet ze door proefondervindelijke gegevens te vergelijken uit onderzoeken die in Nederland, België, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten zijn gedaan en deze resultaten te relateren aan verschillende theorieën. De bevindingen worden uiteindelijk tijdens een workshop met internationale deskundigen besproken, waarna het raamwerk wordt voltooid. Over de resultaten zullen een of meer wetenschappelijk artikelen worden geschreven. Ook worden de bevindingen aangeboden aan andere relevante partijen, zoals de EAPC (de Europese associatie voor palliatieve zorg) die de Europese richtlijn voor palliatieve sedatie heeft opgesteld. De uitkomsten van het onderzoek kunnen uiteindelijk richting geven aan beleid voor cultureel gevoelige zorg rondom het levenseinde.